Punk in Paradiso

27 september 2017

"Punk was een uitbarsting, een steen in een vijver", zegt Ton Lebbink in de documentaire van het radioprogramma OVT over punk in Nederland. Punk was in 1977, het jaar dat de uit het Verenigd Koninkrijk overgewaaide muziekstroming annex subcultuur ook in de Lage Landen voet aan de grond kreeg, tevens de redding van Paradiso volgens Lebbink, indertijd portier van het voormalige kerkgebouw aan de Amsterdamse Weteringschans.  

Dat Paradiso op sterven na dood was beaamt toenmalig directeur Huib Schreurs in dezelfde documentaire. Hij schetst een beeld van een ingedutte hippietempel waar geen fatsoenlijke band nog wilde optreden. Punkbands veranderden dat:  opeens moest men gaan nadenken over de bedrijfsvoering en het aantrekken van extra personeel. Maar Schreurs weet ook te relativeren, met name wat betreft de twee, nu legendarische Paradiso-concerten van de Sex Pistols in januari 1977:  "We moeten er niet deftig over doen. Beide dagen waren er tussen de tachtig en honderdvijftig mensen."

"Het waren allemaal popjournalisten”, herinnert Fer Abrahams, destijds medewerker van Muziekkrant OOR, zich. "Die wilden een keer meemaken wat punk inhield." Zelf was hij bij beide optredens aanwezig. Aanvankelijk vond hij de band met een "Ciske de Rat uit Engeland" als voorman "nogal raar", maar de tweede avond begon Abrahams de Sex Pistols en alles waar die voor stonden "wat meer te begrijpen".

Misschien wel daarom besloot Paradiso, terwijl punk inmiddels ook buiten de hoofdstad om zich heen greep, hem later dat jaar in te huren om nieuwe Nederlandse bands te introduceren op een speciaal daartoe in het leven geroepen avond. Aanvankelijk 'Woensdag Gehaktdag' geheten, later, na een verhuizing naar de donderdag, omgedoopt in 'D-Day'. Abrahams noemt het in de documentaire "een soort aanval op de Nederlandse gevestigde bands". Het aanbod bestond immers vooral uit punkbandjes, of ze dat nu waren of niet. "Als wij achter de namen van de bandjes het woord 'punk ' zetten, liep het vol", weet de presentator van de avonden nog.   

Bij Paradiso zorgde de nieuwe golf dan wel voor, zoals Scheurs het formuleert, "een grote omslag", bij hem zelf nam steeds meer de twijfel toe over wat nu precies 'punk ' was. Vooral door acts als Blondie en The Stranglers ("een van de beste bands ooit, van hetzelfde niveau als The Beatles of The Stones").

Was punk dus niet meer dan een tijdsverschijnsel, gevoed door een vooral vanuit het Verenigd Koninkrijk georkestreerde mediahype? Na een korte doch hevige periode verdween punk in elk geval uit het zicht van het grote publiek, hoewel bands als The Clash, Siouxsie & The Banshees en The Ramones blijvertjes bleken. In Nederland, stelt Abrahams, zou punk pas echt verankeren in de kraakscene van de jaren tachtig. Vertegenwoordigers van het beduidend minder agressieve en meer met de kunstscene verweven genre ‘new wave’ hadden in Paradiso inmiddels grotendeels de plek ingenomen van de punkbands uit de eerste lichting.

(In ‘De Paradiso Punkjaren’ blikt muziekjournalist Oscar Smit terug op de eerste jaren dat Paradiso punkbands programmeerde. Vrijdag 29 september om 18.30 uur vindt in Paradiso de presentatie plaats van het eerste deel van de serie boekjes. Toegang gratis. Aanmelden via punkjaren@paradiso.nl)