De frutselmuziek van David Gray

15 augustus 2014

David Gray? In het Ryman Auditorium? Had ik iets gemist? Kennelijk wel, want hij stond zeker niet zonder reden geprogrammeerd in deze wereldberoemde venue in downtown Nashville, zo bleek. De 2300 zitplaatsen tellende zaal was afgelopen zaterdag tot de nok toe gevuld en ging volledig plat. Een vreemde gewaarwording. Een wereldstatus in Amerika en redelijk marginaal in Nederland. Meestal is het omgekeerde het geval.

David Gray (1968) debuteerde in 1993 bescheiden met A Century Ends om in 1999 door te breken met White Ladder, dat in Ierland nog steeds te boek staat als het best verkochte album aller tijden. Zijn latere platen hebben bij ons nauwelijks iets teweeggebracht. Hij stond nog wel op Pinkpop met een uitermate lauw optreden in 2006 en jaren later later deed de Brit bleekjes de Amsterdamse Melkweg en het Utrechtste Vredenburg aan. Hoe anders ligt het in de Verenigde Staten waar hij tot medio oktober op tournee is met zijn nieuwe album Mutineers, zijn negende inmiddels.

De sfeer in het Ryman Auditorium is uitbundig. Elke theatrale beweging roept een euforische reactie op. Er wordt volop meegezongen en menige staande ovatie valt hem ten deel. Al vanaf de eerste noot kan David Gray niets verkeerd doen. Dit moet wel echte liefde zijn. Het geluidspalet van de ruim bemeten band is impressionistisch, op een overdadige manier. De droomsfeer wordt versterkt door cello en een zweverige synthesizer. De liedjes kabbelen, staan praktisch allemaal in dezelfde toonsoort, hebben geen significant intro of een verrassende brug en ontberen zelfs veelal een refrein. Het gaat nergens naar toe. Muziek zonder houvast. Veel decoratie en weinig zeggingskracht. Frutselmuziek.

Vocaal is zijn bereik beperkt. David Gray weet dan ook geen emotionele spanningsboog op te bouwen. Alle instrumentele aankleding ten spijt, blijft de muziek bovendien kaal. Ondanks de lichtshow is zijn optreden vanwege het ontbreken van goede liedjes slaapverwekkend saai en oppervlakkig. Hoe fascinerend dan ook om te zien hoe het enthousiasme in de Ryman wordt aangewakkerd. Het publiek bestaat beslist niet uit het traditionele countrycliënteel, maar uit modieuze urban professionals tussen de veertig en vijfenzestig, die vallen voor risicoloos amusement met een zweem van intellectualisme.

Je ruikt telkens het zweet van de arbeid door de liedjes heen. Je hoort de goede bedoelingen in elk nummer. Maar in goede muziek – net als in alle goede kunst – mag je geen transparantievocht van de maker ruiken. Net wat eenvoudig lijkt, in een vloek en een zucht gemaakt, spreekt tot de verbeelding vanwege de schijnbare eenvoud. David Gray grossiert in moeilijkdoenerij die voor ware kunst moet doorgaan. Hij lijdt op het podium, en wel op exact dezelfde manier als een amateurtoneelspeler die de gebeten hond neerzet in een patronaatsklucht.

Een sympathieke podiumprésence heeft David Gray al evenmin. Hij kijkt zuur en stuurt horkerig een roadie weg die hem de verkeerde gitaar aanreikt. Even de bandleden voorstellen kan er niet van af. Als de drummer plotseling is verdwenen vanwege een door moeder natuur gedwongen noodzaak de kruk te verwisselen voor de pot, kan er bij Gray na diens terugkeer wel een bescheiden lachje vanaf. Een slaapverwekkende avond al met al. Dat ik uiteindelijk toch nog mijn ogen wist open te houden, lag aan de aura van het Ryman Auditorium. David Gray, het zal wel aan mij liggen, maar it beats me.