Avant-garde shit

12 augustus 2011

“Zeg, waarom heb jij eigenlijk geen lp’s van Jackie McLean”, vroeg een in mijn platenkast grasduinende vriend. Het klonk bijna bestraffend. “Prachtige hardbop met hartverscheurende ballads”, vervolgde hij ongevraagd. “Mijd die jaren zestig-shit, want dat is teveel geflirt met avant-garde”, klonk het nog dringender. Ik mompelde besmuikt wat over prioriteiten stellen en geldgebrek. Smoesjes natuurlijk. De ware reden was dat ik, we spreken over medio jaren tachtig, de jazzinkoop op een laag pitje had gezet vanwege verhevigde herinteresse in de pop.

Twee opeenvolgende jaren was ik naar het Pandora Festival in Rotterdam geweest, alwaar een hele nieuwe horde uitlopers van de punk en new wave  – acte de présence gaven. Ik was van sommige optredens zo overdonderd dat ik acuut besloot de ontstane achterstand, gevolg van een decennium voornamelijk jazz kopen, stante pede goed gemaakt moest worden. Dat ‘achterstallige onderhoud’ heb ik in de daaropvolgende jaren ruimschoots hersteld, maar ik bleef de jazz wel volgen, zij het in mindere mate. Gevolg was dat ik in de jaren negentig de jazzachterstand weer moest inhalen.

Ik ben me natuurlijk in Jackie McLean (1931-2006) gaan verdiepen. Een saxofonist, sterk beïnvloed door Charlie Parker, die in 1951 als negentenjarige bij Miles Davis zijn op de plaar debuteerde, vervolgens memorabele opnamen met Charles Mingus maakt en in 1956 Art Blakey’s Jazz Messengers gaat versterken. Daarna volgen talloze opnamen onder zijn eigen naam of als sideman bij anderen. Een blazer met een zeer eigen sound, soms snerpend met verschroeiende, huilende uithalen. Kortom, een intens geluid waarmee je een verhaal kunt vertellen. Luister maar eens naar het titelstuk van Strange Blues.

En die zogenaamde avant-garde shit, waar mijn vriend aan refereerde, is zo mogelijk nog beter, omdat hij daar alles wat hij geleerd heeft combineert met de in die tijd opkomende vrijere vorm van improviseren. Let Freedom Ring bijvoorbeeld klinkt alsof er een bom ontploft.